De Be Your Own Master and Creator Moralineprijs.

 

Moraline! De term is afkomstig van Friedrich Nietzsche, die ook het ‘Wees Meester en Vormgever van Jezelf’schreef. Moraline is wat de moraal tot moralisme maakt. “Een gevaarlijk goedje!” waarschuwde de filosoof. Maar aan moraline kan ook een goede werking worden toegeschreven. Mits de verhouding tussen ethiek en esthetiek in balans is. Misschien is ons grootste gebrek wel gelegen in het feit dat we vandaag niet moraliseren. En blijven zij die juist wel moraliseren in gebreke omdat ze de esthetiek, verwant aan de symmetrie, buiten beschouwing laten. Dan is het de hoogste tijd voor een herwaardering. Op naar een esthetische moraal!

 

De ‘Master and Creator Moralineprijs’ is in het leven geroepen om vakgenoten, die binnen een kunstvorm de filosofie van het goede leven handen en voeten gaven, te eren en aan te moedigen daar vooral mee door te gaan. Want netelige kwesties in het voetlicht plaatsen, de mens een spiegel voorhouden, dat word je niet altijd in dank afgenomen…De beloonde werken scheppen een precedent. Ze nodigen andere kunstenaars uit om iets te maken dat tenminste dezelfde kwaliteiten bezit. Zo kunnen we dan eindelijk de vraag - die ik hier uit het hoofd en daardoor waarschijnlijk fout citeer - van onze hemelende volksschrijver oprecht beantwoorden: 'Ja! Kunst wil wat, maar wat wil het eigenlijk?’ Wel: een vat barstend vol goede moraline zijn!

Goed is natuurlijk een vaag begrip. Door elk jaar juryrapporten te schrijven brengen we definities van het goede in kaart en komt er terloops een moralistisch handboek tot stand.

De moralineprijs is geen geldprijs. Het is een eer hem te ontvangen.

 

De werken van de laureaten zijn een stuk gereedschap waarmee een ieder direct aan de slag kan. Want de opdracht om te zoeken naar het goede, betere leven – iets dat vandaag steeds vaker aan gezagdragende instanties overgelaten wordt – geven ze aan onszelf terug. De esthetiek van de werken maakt de moraallessen niet alleen goed te verteren, maar zelfs aangenaam. Pathos is geen bombast. Nee! Pathos - we volgen hier Aristoteles - is naast ethos (persoonlijkheid) en logos (argumentatie), een kunstmiddel ter overtuiging: de gemoedsstemming waarin de spreker zijn gehoor brengt door het dusdanig te emotioneren dat het hem gunstig gezind wordt. Zo treft de boodschap haar doel. In de literaire kritiek van Pseudo-Longines (1e eeuw ) is pathos ‘een der bronnen van die niet zozeer overtuigende als wel verrukkende ‘sublimiteit’ die eigen is aan grote literatuur en die behalve uit compositie en taal- of stijlgebruik, toch vooral voortkomt uit de gave van een verheven denken en een machtig, geēnspireerd en te rechter tijd doorbrekend voelen.’ Kan het begrip geĎngageerde kunst beter omschreven worden? Geen grote politieke hervormingen of revoluties maar intense, esthetische prikkelwerken die ons ontroeren en aan het denken zetten. Na het zien, horen of lezen van het werk zijn we nooit meer dezelfde. Voorgoed veranderd - idealistisch gesproken. Moraline: geenszins een stroperig, taai en bitter, giftig goedje, maar een etherische, esthetische prikkel tot beterschap!

 

De Master and Creator Moralineprijs 2006.

 

Op elf april 2006 ging Jan Rot’s Nederlandse hertaling van de Mattheus Passie van Bach in wereldpremiŹre. In Den Haag! We hopen maar dat de klanken en klemtonen en verder alles wat tussen de regels van het werk door te lezen valt in het Binnenhof en haar Kamers werden gehoord…

Rot’s Nederlandse hertaling is een actualisatie van het evangelie volgens Mattheus. Schrik niet! We zijn niet religieus geworden! Religies maken Jezus vaak tot een heilige pias. Zijn wijze levenslessen verloren hun sprekendheid in de kerkelijke dogma’s. Rot’s hertaling maakt ze weer vrij, geeft de wijze weer een stem: Hij spreekt zoals wij vandaag spreken. Daar is niets ouderwets aan. Om het eens populair te stellen: Rot’s hertaling maakt de oprichting van een Jezus-fanclub weer mogelijk. De fans zitten niet nog langer op harde houten kerkbanken maar in het aangename rode pluche van de concertzaal. Ook dat is een stap in de goede richting. En lang niet alleen vanwege de lengte van het stuk: een behoorlijke zit!

 

Rot’s meesterlijke hertaling roept de Mattheus van Pasolini in herinnerring. Niet één van de minste. In ‘Il vangelo secondo Matteo’ zien we een knappe Jezus. Geen sportschool type, maar een magere, rechte plank met een groot hoofd. Als een soort wandelend uitroepteken zien we hem door het oudtestamentische landschap trekken. Almaar onder weg. Op sandalen.Hij is het prototype van de mens die we later hippie, stadsnomade of anarchist zijn gaan noemen. Pasolini geeft hem zelfs communistische trekjes, hetgeen hier natuurlijk totaal anders moet worden begrepen dan het staatscommunisme dat afschuwelijke systemen tot stand bracht. Hoogtepunt in de zwart-wit film van Pasolini is de Bergrede. Jezus, gehuld in wapperende lappen die soms voor zijn mond slaan, houdt een lucide preek. Een waterval van woorden. Hij kijkt ons recht in de ogen, hoewel zijn blik soms even snel naar links en rechts gaat waar, denken we, spiekbriefjes opgesteld staan. De Bergrede is een hele lap tekst. Ook een film maken is mensenwerk. Lief! Jezus’ filosofie blijkt doorspekt met cynische imperatieven. Het lijkt haast wel of hij naar de leer van de Griekse Cynische filosofen, uit de derde eeuw voor Christus verwijst. Geen vulgair cynisme maar een terechte herwaardering van waarden die op onze zenuwen werkt en ons aan het lachen maakt. Zo horen we hem zeggen: “Maak je dus niet bezorgd over de dag van morgen, want de dag van morgen zal zich wel bezorgd maken over zichzelf”. Of, we gooien hier onze eigen ramen in: “En wat maak je je bezorgd over je kleren (…) is het lichaam niet meer dan kleren? “. En: “Kijk naar de vogels van de hemel. Ze zaaien niet en maaien niet en oogsten niet”.

Natuurlijk moeten wij bij dit alles dankbaar op God steunen. In zijn handen leggen we ons leven, hij zal wel voor ons zorgen. Althans, dat is de bedoeling. Maar God is voor ons, levend in het tijdperk waarin hij dood verklaard werd, een twijfelachtige factor. Zoveel doden en geen hemel! Wij hebben daarom de existentiĎle crisis. Dat wordt ook duidelijk in Rot’s hertaling waarin hij ons de volgende kwestie voorlegt: ‘Schiep God ons of zou het toch andersom zijn?’. Ook Maria is in de greep van de twijfel: ‘Mijn God, bestaat u wel?’

Om uit de existentiĎle crisis te komen kunnen we wensbeelden creĎren van een oervader die het beste met ons voor heeft. Freud zou daarover schrijven: ‘Biologisch gesproken is gelovigheid te herleiden tot de langdurige hulpeloosheid en hulpbehoevendheid van het kleine kind dat, wanneer het later zijn werkelijke verlatenheid en zwakheid tegenover de grote machten van het leven begrepen heeft, zijn situatie net zo voelt als in zijn kindertijd en de troosteloosheid tracht te loochenen door de regressieve vernieuwing van de machten die hem in de kindertijd beschermden.’ Vandaag proberen we daarom, zo goed en kwaad als dat gaat, onze eigen Vader of Moeder te worden. Eenmaal die steile, lange weg ingeslagen komen we allerlei opties tegen die soelaas kunnen bieden. Freud predikte voor zijn eigen parochie: de psycho-analisten. Ook het hedonisme, vandaag vaak verkeerd begrepen (denk maar aan de nietszeggende Remix Mattheus), kan helpen. En meer. God is nog slechts één van de mogelijk vluchtheuvels. Jezus staat potsierlijk tussen de planten in de vensterbank. Of op de stortbak van het toilet. Ons verlangen naar geborgenheid verbonden met camp en kitsch. Een grap die we alleen in de bange uurtjes serieus nemen.

Als we God dan toch zelf schiepen en alles wijst daarop, dan is het waarschijnlijk het beste om aansluiting te zoeken bij de tradities die verkondigen dat God liefde is. Een definitie van dat ongemakkelijke begrip vinden we bij cultuurpsycholoog Erich Fromm. In zijn ‘Liefhebben, een kunst, een kunde’schrijft hij: “Een mens kan slechts liefhebben in de mate waarin hij zich heeft kunnen bevrijden van narcisme, van de incestueuze fixatie op zijn moeder, zijn familie, zijn clan.” De liefde is dan nog steeds een particulier bezit, maar het object dat zich in onze liefde mag verheugen is een stuk groter geworden: de wereld.

 

Er is nog een ander werk waar we aan dachten toen we Jan’s hertaling hoorden: ‘The Greek Passion’ van de Griekse schrijver Nikoz Kazantzakis uit 1948. Want die passie is eveneens een heractualisatie van het lijdensverhaal. Het is 1920. Van de Europese vlag - de cirkel van twaalf sterren is een reproductie van het aureool dat Maria omringt - is nog geen sprake. Griekenland is bezet door de Turken. We bevinden ons in het welvarende dorpje Lycovrisi. Het wordt binnenkort Pasen en het passiespel moet weer worden opgevoerd. De rijke heren van het dorp - de priester is hun woordvoerder - kiezen de spelers. Manolios moet tegen zijn zin de rol van Jezus spelen. Want, zegt hij zelf: “hoe kan een eenvoudige knecht zo’n glansrol naar behoren spelen?” Hoe dan ook, de repetities gaan beginnen. Op die dag komt er ook een stroom vluchtelingen in het dorp aan, want veel Griekse dorpjes zijn door de bezetter vernietigd. De vluchtelingen bezitten alleen nog een knagende honger. Ze bonzen op de deur van de kerk en vragen om hulp. De priester stuurt ze onbarmhartig weg. “Als wij onze welvaart, die we danken aan de uitmuntende overeenkomsten met de bezetter, met jullie delen, dan gaan we daar zelf aan ten onder”, verontschuldigt hij zich. Een spanningsveld dat ons ook vandaag nog in de greep houdt. Daarom is het boek nog steeds zeer actueel! De vluchtelingen worden het dorp uitgejaagd en vestigen zich boven op een berg in de buurt. Ze bivakkeren. Een vluchtelingenkamp zonder zorg. Manolios is met hun lot begaan en tekent bij de notabelen protest aan. Hij, die moeizaam kan lezen en net was begonnen zich in de rol van Jezus in te leven, wil een andere morele code. Hij wil een soort Potlach tot stand brengen – volgens de traditie is dat een feest vol vrijgevigheid waarbij de organisator zoveel weggeeft dat hij op een bankroet afstevent. Een rib uit het lijf. Een aderlating. Volgens Monolios is radicaal spenderen mogelijk, zeker omdat de oogst dit jaar zo rijk was: “Omarm alle mensen”. “Deel alles wat je bezit”. “Behandel je naaste zoals je zelf behandeld wilt worden”. Manolios - men vermoedt natuurlijk dat hij een Russische geheime agent is - wordt terecht gewezen. De rijken in het dorp confronteren hem met het utiliteitsprincipe, met de werkelijkheid die dankzij hun kruideniersmentaliteit tot stand kwam. We herinneren ons misschien nog ‘De Gebroeders Karamazov’ van Dostojevski. Daarin vertelt Ivan aan zijn jongere broer Aljosja dat Jezus in Spanje verscheen ten tijde van de inquisitie. De inquisiteur riep Jezus op het matje. De hoge morele standaard die Jezus en zijn volgelingen er op na hielden en predikten was niet haalbaar. Die was niet van de wereld. Hun idealisme vormde zelfs een bedreiging voor de Kerk die nu juist net overal een vinger in de pap begon te krijgen. Dus vroeg hij Jezus te vertrekken. En, hij ging. De gevolgen zijn ons bekend… Maar Manolios houdt voet bij stuk. Tijdens een publiek debat wordt hij doodgeschoten. Door Panius, die de rol van Judas kreeg toebedeeld … Ook hier weer geen happy end, geen betere, artistiekere wereld.

 

Terug naar Rot’s hertaling want die heeft hier onze belangstelling.‘In ieder mens lijdt een schepsel, in ieder mens wordt een verlosser gekruisigd’, zegt Herman Hesse. Dus Rot’s hertaling moet een ieder wel aanspreken. Maar aangezien in zijn hertaling het koor - de stem van het volk - de meest afschuwelijke dingen roept en eist – “Op naar Golgotha” (de doodstraf!) -, is onze positie een zeer dubbele. Ziedaar: een schets van de mensheid. Vanavond zijn we het waarschijnlijk met elkaar eens. Maar hoe is dat morgen? Overmorgen? Misschien duw ik je gewoon aan de kant als je me weer eens voor de voeten loopt in de drukke supermarkt. Of snijd jij mij af in het verkeer, de ringvinger omhoog gestoken: “Fuck you! Lul” Dit zijn natuurlijk maar een paar kleine voorbeelden. Aan oorlogen ligt een gelijksoortig principe ten grondslag… ‘Erken je schuld’, adviseert de hertaling ons in het begin. De grootste zonde lijkt te bestaan uit een gebrek aan oprechtheid, aan eerlijkheid: authenticiteit! Misschien is het een goed idee de hertaling, die op cd verscheen en zeer terecht in no time op nummer één stond, eens wat vaker te draaien dan alleen met Pasen. De goede, bemoedigende, maar ook ontluisterende woorden die je in de hertaling tegenkomt mengen zich met de aloude akkoorden van Bach. Geen lettergreep te veel. Een monnikenwerk. Ze nestelen zich in je geweten. Dagen daarna kun je ze nog horen. Het slotkoor geeft hen die naar beterschap willen streven tevens een prachtig recept mee: ‘Wees geen wezenloze lemming op de rots van Gods bestemming. Maak je klein, kleiner, kleinst en ondermijn’. Een manier van doen die zelfs in het allerkleinste, verborgen in onze gewone dagen, haar vruchten kan afwerpen. Ondermijnen is dan geen staatsgevaarlijke bezigheid, maar een middel om de haat, de verachting en de achterdocht, de grote irritaties, de opvliegerigheid, het gefoeter en getier, de automatismen, de hebberigheid en het al maar groter groeiende eigenbelang een halt toe te roepen en de innige verknochtheid, de liefde en de schoonheid een kans te geven. Zo kan de wereld steeds een beetje mooier worden…

Dames en Heren! De ‘Master and Creator Moralineprijs 2006’ gaat naar: Jan Rot!