NRC 10-3-06
‘Ik
mag Bach best helpen’
De Mattheuspassie volgens Jan Rot
Nu
poprebel Jan Rot de vijftig nadert, houdt hij zich vooral bezig met vertalingen
van iconen uit de westerse kunstmuziek. Deze week verschijnt Bachs
Mattheuspassie in zijn hertaling. „Kom, krakend kruis!”
MISCHA SPEL
We gaan er
maar even rustig voor zitten. Voor wie de Matthäus Passion jaarlijks
beluistert, gedurende de hele lijdenstijd draait tijdens het ontbijt of ooit
zelf heeft gezongen in een of ander koor, is de schok groot. De bassen kreunen
en hoor, daar begint het openingskoor: ‘Kommt, ihr Töchter helft mir Klagen.’
Of nee, dat zingen ze niet. „Hoor van verre jammerklagen. Jezus! – Wie?
– Je medemens!/ Jezus! – Waar? – Ze slaan hem lens!”
De
vertaling is van Jan Rot (48), gisteren op cd verschenen, later deze maand ook
als piano-uittreksel en op 11 april éénmalig in concert. Bachs
Mattheuspassie-volgens-Rot werd in deze krant al in 2003 aangekondigd, in een
interview naar aanleiding van zijn Nederlandse hertaling van Schuberts
Winterreise. „Een Nederlandse Mattheus, met Rob de Nijs als Christus”, droomde
hij toen. Daar is het niet van gekomen; Rots Mattheuspassie is in vol klassiek
ornaat uitgebracht door het prestigelabel Deutsche Grammophon.
„Je moet
niet te veel ineens willen”, zegt hij. „Ik ben ooit begonnen met aria’s van
Puccini. Die vertaalde en zong ik, met een bandje. Dat was een brug te ver. Ik
wil mensen winnen voor mijn Mattheus, en de kans daarop is het grootst als de
vorm – de muziek en de manier waarop er wordt gezongen – vertrouwd
blijft. Dan kun je later altijd nog drastischer te werk gaan. Want ik blijf
erbij dat O hoofd vol bloed en wonden door één stem en gitaar bijzonder
aangrijpend kan zijn. Maar aan de uitdrukkingsmogelijkheden van een klassiek zanger
kan een ongeschoolde stem als de mijne nooit tippen.”
Van de
eerste letter tot de laatste hand – Rot noteerde elke stap van zijn drie
jaar durende Mattheus-project in een humoristisch, in eigen beheer uitgebracht
dagboekje. Daarin schetst hij ook zijn waarschijnlijk voor velen herkenbare
jeugdtrauma: met vader en moeder rond Pasen verplicht luisteren naar de
Matthäus, je ergeren aan het ‘Barrabam!’ – die man heet toch Barrabas?
En: „Mam, waarom zingen ze in het Duits? De bijbel is toch ook in het Nederlands?”
In zijn
roman Meisjes (2003) wijdt Rot nog een passage aan een
Matthäus-concertervaring; de ergernis over mensen die devoot luisteren naar
teksten zo zalvend dat normaal alleen Jehova’s getuigen ze durven uitslaan
– waarop je de deur in hun gezicht dichtslaat. „Maar de Matthäus Passion
blijft natuurlijk wel het allergrootste meesterwerk uit de ‘westerse
kunstmuziek’,” nuanceert Rot zichzelf. „Als je wilt bewijzen dat hertalen
werkt, moet je dat doen met een stuk als de Matthäus – een meesterwerk uit
de canon, maar tekstueel hopeloos verouderd. Uiteindelijk zou ik het liefst
alle kopstukken van de westerse kunstmuziek willen hertalen. Zelfs Wagners
vijftien uur durende operavierluik Der Ring des Nibelungen zie ik me nog wel
een keer doen. Maar er is een Matthäus voor nodig om mensen te laten inzien dat
een Nederlandstalige versie kán, dat het leuk is, iets toevoegt. Wat natuurlijk
niet betekent dat ik het origineel wil vervangen. Het is niet of of, het is en
en.”
Tien jaar
zitten er tussen Jan Rots fase als rocker annex ‘panisch rondneukende
jongensvreter’ in het Amsterdamse uitgaansleven en zijn tegenwoordige bestaan
als toegewijd gezinsvader in het Brabantse Ossendrecht – een ommezwaai
waarvan hij verslag doet in de roman Meisjes. „Ik mis Amsterdam niet, en mijn
vorig leven ook niet”, vertelt hij nu, glimlachend om de verbaasde reactie. „Om
de woorden van Jezus te gebruiken: wie mij liefheeft, volge mij. En de rest:
laat maar zitten. Ik kijk altijd alleen naar waar ik op het moment mee bezig
ben, en of dat klopt. Vijfentwintig jaar geleden zat ik ook in een panel tegen
het Nederlands als zangtaal. Maar je verandert. Met een jong gezin is het
ideaal buiten te wonen. Je kunt er ongestoord werken, er is weinig aanloop. En
wat zou ik moeten missen? Ik ben hartstikke monogaam. Uitgaan is alleen leuk
als je kunt flirten. Bach woonde trouwens ook in Leipzig, niet in Wenen.”
In zijn
verleden als popmuzikant scoorde Rot met bands als The Streetbeats en Ratata
nooit een echte hit. Wel bracht hij een forse stapel cd’s uit, deels solo.
„Onvoorstelbaar lang geleden lijkt het alweer, dat ik xtc ontdekte en als halve
bejaarde op Dance Valley stond te beuken in legerbroek en met ontbloot
bovenlijf”, schrijft hij op zijn eigen website. Hij waagde er destijds zelfs een
gabberachtig liedje aan: „Opa pilletje, het leven door een roze brilletje, je
verliest je standaardwilletje.”
Toch is
het achteraf niet moeilijk lijn te zien in Rots merkwaardige bekering van
rocker naar rustzoeker, of in elk geval in het muzikale deel daarvan. Hij zong
Engels, maar ontdekte „dat het toch nooit zo goed zou worden als Roy Orbison”.
En dus begon hij in het Nederlands. Eigen werk en vertaalde popliedjes, die hij
overigens nog steeds regelmatig uitvoert (speellijsten op www.janrot.nl).
De vertalingen
zijn vaak jaloersmakend vindingrijk (‘Het is goed zo’, naar ‘And I love her’
van The Beatles), soms verbazend ontroerend (‘Marijke’, naar ‘Maria’ uit
Westside Story) en niet zelden ronduit melig, zoals in ‘Ankie’ naar ‘Angie’ van
de Rolling Stones. („Ik zit hier eenzaam op een bankie, ik word zo stijf als
een plankie.”)
Dat het
van The Stones naar Schubert maar een kleine stap is, bleek op het door
‘popbariton’ Rot zelfgezongen cabaretalbum Alle 13 Schubert, met onder meer het
nummer ‘Oom Harrie’, een pedofiele variant van ‘Erlkönig’. De brutale vrijheid
van die hertalingen, maakte op Winterreis (2003) plaats voor serieuzer pogingen
tot actualisering en hertaling", in dit geval van Schuberts Winterreise.
„Het
essentiële voordeel is dat je in je eigen taal geen vertaalslag meer hoeft te
maken”, vindt Rot. „Mijn schoonvader zingt mijn hertaling van Schumanns
‘Dichterliebe’ alsof het liedjes van Boudewijn de Groot zijn. Als ook deze
Mattheus een succes wordt, zullen mensen anders, neutraler naar mijn
hertalingszin kijken. We staan aan de vooravond van een revolutietje. Hoop ik.”
Op Rots
Winterreis zat platenmaatschappij Universal destijds niet te wachten. „Schubert
in het Nederlands – waarom zou je?” herinnert directeur Peter van der
Heyden zich. Maar toen de cd-producerende drogistketen Het Kruidvat na een week
twintigduizend exemplaren van de cd had verkocht, besloten ze toch met Rot om
de tafel te gaan zitten om eens te praten over dat andere grote project van
hem: een Nederlandse Mattheuspassie.
Voor Rot
was het ‘project Mattheus’ al voor het ja-woord van Universal in volle gang,
getuige het Mattheus Dagboek. Hij werkt elke avond en nacht aan zijn tekst, als
vrouw en kind naar bed zijn. Overdag is er tijd om over Bach en de bijbel te
lezen. „Mattheus was bepaald geen Heine”, verzucht hij op een van de eerste
dagboekbladen. „Maar ik mag Bach best helpen. Hij moest uitgaan van de
evangelische tekst, ik van de muziek.”
Het
evangelie volgens Rot is stichtelijk geworden op een andere, meer documentaire
manier. „Als je alle kalk eraf schraapt en je bekijkt het geraamte, voel je hoe
groots dit werk is”, legt hij uit. „Maar je ziet ook waar Bach het zelf
moeilijk had, omdat het evangelie daar gewoon echt saai wordt.”
De
Mattheuspassie is ontdaan van de al te devoot-christelijke saus. De koralen
zijn Griekse commentaarkoren geworden. „Als buurvrouwen die hoofdschuddend
gadeslaan wat er gebeurt”, zegt Rot. „Ik ben teruggegaan naar de historische
Jezus. Een vrijgevochten rabbi die de god der wrake vervangt door de god der
liefde, en zegt: de hemelse goedheid is niet daarboven, die zit in jezelf. Heb
elkaar lief. Dat is óók zalvend, maar daar kun je niet omheen. Zo is het
gewoon.”
Als
resultaat is de evangelist een ‘verteller’ geworden die het verhaal beeldend
vertelt, als een soort ‘katholieke kitschplaatjes’, zegt Rot. Inhoudelijk zijn
de recitatieven net zo goed ontleend aan Mattheus als aan andere evangeliën,
historische of theologische studies en Jezus-biografieën. En soms ook gewoon
aan Rots eigen zienswijzen. „Het is als de verfilming van een boek. Je haalt
dingen naar voren, je voegt dingen toe en je laat dingen weg. De twee
moordenaars die als stichtelijk contrast naast Jezus worden gekruisigd, hebben
me altijd tegengestaan. Ik heb ze weggelaten. Niemand verdient zo’n dood.”
Rots
Mattheus klinkt als een klok. Hij respecteert rijm en waar mogelijk binnenrijm.
Een eerste vertaalversie verdween uit beeld. Te brutaal. Daar zouden mensen om
hebben moeten lachen, of bij zijn weggelopen, vermoedt hij. „Daarna heb ik nog
een stuk zo letterlijk mogelijk vertaald, maar dan ontdek je: nee, dit wil ik
ook niet.” De uiteindelijke versie werd als bij een nieuwe bijbelvertaling
bediscussieerd in een tekstcommissie, met een dominee en een Bach-kenner. „Ik
weet dat er een hoop kritiek over me uitgestort zal worden”, zegt Rot. „Maar ik
heb in elk geval geprobeerd die zoveel mogelijk voor te zijn. Dit moet een
Mattheus zijn waar iedereen in mee kan. Gelovigen als Elly en Rikkert én de
atheïst die Jezus altijd maar een beetje een kwezel heeft gevonden.”
Zichzelf
omschrijft Jan Rot als humanist. Zonder aarzelen. „Mijn vader was zendingsarts,
we woonden tot mijn twaalfde in Indonesië. Tijdens een mooie wandeling over een
berg stond mijn vader altijd een moment stil in bewondering. ‘God, wat heeft U
dit mooi gemaakt’, zei hij dan. Die dankbaarheid. Later veranderde dat. De
bewondering bleef dezelfde, maar hij realiseerde zich: ik sta al zestig jaar
tegen de lucht te kletsen.
„Als
iemand de menselijke kracht om het goede naar boven te halen God wil noemen,
heeft hij mijn zegen. Als de Mattheuspassie mensen het gevoel geeft: heb uw
naaste lief, dan vind ik dat mooi. Dáár draait het om. Maar wat de kerk daar
later allemaal aan heeft toegevoegd, dat geloof ik allemaal wel.”
Wie zich
voor Rots teksten gewonnen geeft, zingt ze al snel mee. ‘Maria huilt’. En: ‘Op
naar Golgotha!’ Of: ‘De eerste klodder spuug was meteen al raak’. De eerste
Nederlandse meezing-Mattheus lijkt onafwendbaar. Rot: „Die komt er ook. En om
die reden verschijnt ook de bladmuziekversie. Probeer het maar, zing het maar.
De Mattheuspassie is geen museummuziek.”
,,Kleuren
verschuiven, nuances verschillen. Maar het karakter van het evangelie is in
Rots tekst overeind gebleven. Het grootste verschil is dat je in het Nederlands
veel meer met je neus op de feiten wordt gedrukt. Het is je moedertaal, dat is
toch anders. Minder afstandelijk. Er waren wel passages waarvan ik aanvankelijk
dacht: oh, Jezus. ,,En het klonk op de galerij, toen zij, haar handen in de
zij, zei:*" Maar zelfs zo'n zin blijkt te werken wanneer je hem goed
vocaal inkleurt- juist omdat je in je eigen taal beter de retoriek en de
dynamiek aanvoelt. Het was ook niet onwennig de vertrouwde muziek opeens met
Nederlandse tekst te zingen. Aan het Duits heb ik niet meer gedacht."
Opvallend anders zijn ook de aria’s.
Devote geloofsbelijdenissen hebben plaatsgemaakt voor leefregels volgens Jezus,
terwijl in alt 1 en 2 moeder Maria en Maria Magdalena zijn te ontdekken. Wo ist
mein Jesu hin werd ‘Ach, waar wou mijn jongen heen?’ „Een onduidelijk personage
dat ons vertelt wat we al weten, namelijk dat Jezus gevangen is genomen, wat
voegt dat nou toe?” zegt Rot. „Daarom heb ik Maria de moeder die verzuchting in
de mond gelegd. Dat maakt de emoties herkenbaar, echt.” Luister naar Rots
versie van koraal 63 op www.nrc.nl/kunst J.S. Bach – Mattheuspassie.
Nederlandse versie hertaald Jan Rot (Universal Music 00289 4769164). De
bladmuziek verschijnt later deze maand bij Nijgh en Van Ditmar. Concert: 11
april, Dr. Anton Philipszaal, Den Haag. Met Residentie Orkest/ Residentie
Bachkoor o.l.v. Jos Vermunt. Aanvang: 19 uur. Res: (070) 8800333
10 maart 2006