HOLLANDS DAGBOEK

 

Vrijdag 26 december:

‘En de musical award voor beste mannelijke bijrol gaat naar Jan Rot als Arent in Doe Maar,’ grinnik ik, als ik mijn auto in de parkeergarage van schouwburg Tilburg draai. Als je een half jaar van je leven voor iets opoffert, kun je niet hoog genoeg inzetten.

Choreograaf Martin Michel, inclusief authentiek Barry Stevens-accent, heeft deze laatste repetitie wederom de reprise op z’n lijstje. ‘Nothing worse than a bad bow.’

Applaus halen voor een lege zaal? De meligheid slaat toe.

‘Anarchistisch zooitje,’ zucht regisseur Jos Thie maar weer eens, ‘hoe kun je met zo’n inzet nou vanavond serieus spelen?’

‘Hoe kan ik me nu serieus inzetten als ik vanavond moet spelen?’ kaatst DaniĎl Boissevain, in de voorstelling mijn zoon Rits.

De filmploeg voor de grote Jan Rot-documentaire is er ook. Ze volgen me al meer dan een jaar. Nachtlied, Mattheuspassie, Zomerreis, An & Jan – afwisseling genoeg. Ik troon ze naar buiten, waar groenroze Doe Maar-vlaggen wapperen voor de premiŹre zondag. ‘In deze stad heeft Vrienten zijn dinges achternagelopen. Hier kaapte Ernst Jansz zijn Belle Helene.’ Doe Maar stopte ooit omdat ze misselijk werden hun persoonlijke teksten terug te horen uit dertienjarige keeltjes. Nu brengen we hun dertigers en veertigers-problematiek terug naar Tilburg, voor een droeviger maar wijzer publiek, dat nu begrijpt waar die liedjes toen over gingen. Toch een vorm van meeschrijven aan popgeschiedenis.

 

ZATERDAG

Geen middagrepetitie, dus kan Daan thuis even ontsnappen bij de schoonheidsspecialiste. Als ze denken dat ik het druk heb, moet je eens bij haar kijken. Na een uurtje in de speeltuin met dochter Elvis (net vijf) en zoon Rover (bijna 2) ben ik bekaf. Al speelt het mee dat ik voor een geloofwaardige vader op toneel tien jaar ouder ben geworden. In het begin met kromlopen, kuchen en hoesten. Inmiddels juist door me ‘kwieker voor te doen dan ik ben.’

Rest nog twee uur voor de stapel urgent op mijn bureau. Een brulbrief aan het reisbureau dat ons niet waarschuwde dat kindertjes voor Amerika een eigen paspoort moeten hebben, zodat we op het vliegveld onze tickets konden weggooien? Haal ik de BTW-aangifte voor het vierde kwartaal nog? Of zal ik eindelijk de wc-bril maken? Er word je zo weinig tijd gelaten buiten de musical, dat je bijna opgelucht bent als je weer in de auto stapt.

 

ZONDAG

“Ja Jan Rot, welkom in musicalland,” plaagt collega Kim Lian van der Meij als ik bij binnenkomst beduusd voor de uitgestrekte k(l)aptafels met toi’s blijf staan. Maar ik ken het theatergebruik van zo’n gelukspresentje en kan als Arent de kleedkamers langs met de complete Ossendrechtse winkelvoorraad Kindersurprise-chocola: “Zeg, wil jij een ei?” (scene 10/ regel 4).

‘Zenuwachtig?’ vraagt producent Albert Verlinde.

‘Geladen,’ verbeter ik.

Terwijl eregasten Vrienten, Jansz en Hendriks vlak voor aanvang onder daverend applaus de zaal betreden, staan wij al een paar minuten schrap. “Go”. Mijn rol is de eerste veertig minuten beperkt tot koortjeszanger in de coulissen, en als ik mijn teamgenoten het podium op zie stuiven, springen me de tranen in mijn ogen. Man, wat hebben wij hier hard voor gewerkt en wat ben ik al van iedereen gaan houden.

Al het repetitieleed, het eindeloze gewacht, met ochtend en avondfile vanuit Ossendrecht dagen van twaalf uur, de eerste tijd je zelf te zien vastlopen in tenenkrommend schooltoneel, het slavenschema van een zesdaagse werkweek inclusief oudjaarszondagmorgen (“maar jullie zijn toch 1 januari al vrij?”), het gezeur van zo laat dit en vergeet niet dat, al die mannetjes met een mening, het is vergeten.

 “Ga vandaag voor het verhaal” heeft Jos gezegd, en inderdaad is het geen doorsnee Doe Maar publiek. Neem Nachtzuster. Normaal klinkt applaus en gelach als Arent in pyjama opschuifelt, ontleend aan mijn vader die onder de morfine door het ziekenhuis dwaalde op zoek naar zijn ‘studeerkamer’. Nu is het doodstil. Loop ik niet in het licht? Is mijn geluid uit? De paso doble met het infuus op wieltjes schrijnt, vaders oude pantoffels branden aan mijn voeten. Toch mooi, die beklemming, want zo grappig is het allemaal niet. Het open doekje komt wel als ik even later ten hemel varend de musical mag afsluiten. ‘Tijd genoeg’ - famous last words. Fotograven en cameraploegen worden binnengelaten, bloemen, Doe Maar-leden op het podium, champagne. “Ging het goed?” mime ik naar Daan die door mijn cameraploeg is meegesmokkeld.

“Ik heb een traantje weggepinkt,” bekent Vrienten, en ik neem de gelegenheid te baat Ernst Jansz te bekennen dat ik zijn inbreng in Doe Maar altijd heb onderschat. (Op een dag beseft de Lennon-adept dat er geen Beatles waren geweest zonder Paul McCartney).

Showbizfeest. Felicitaties, vrienden, nog meer champagne. Als ik mezelf even later hoor verspreken over ‘de kracht van Enny en Hernst,’ nemen Daan en ik nog een bordje boerenkool, en rijden in haar auto naar huis.

 

MAANDAG

“Succesmusical Doe Maar nu al bijgeboekt,’ begint de dag met het NOS-jounaal, inclusief lovend commentaar van Boudewijn de Groot en een fragment Nachtzuster. Vrije dagen zijn er om vrij te kunnen werken, maar deze blijft hangen in een day after-stemming

van website aanpassen, tois bekijken, nog eens het programmaboek doorbladeren, en een melig opzetje voor de Broadwayversie: “Gee, there’s nothing on on my tv, just a show with Doris D (& the pins).” Kom ook ’s nachts niet verder dan wat gemail en gegoogle op filmpjes, recencies en commentaren, tot in een weblog een of andere musicalnicht alles geweldig noemt behalve mij, dan is de lol eraf.

 

DINSDAG

Alle recensies van enthousiast tot juichend. De Telegraaf heeft wat kanttekeningen, maar noemt mij juist de verrassing, dus die is ook prima. Ieder voor zich, Rot voor ons allen. En nu? Als ze echt gaan bijboeken en de toch al zware speellijst volplempen tot één vrije dag per week? De cast van Grease is zijn hele zomervakantie al kwijt. Bij de mail een oneerbaar voorstel, een vergeten klasgenoot, een verzoek om vrijkaartjes, en zeven aanvragen voor van alles – ja hoor, we zijn weer op tv geweest. Mopper mopper.

Maar even later in de classic van Daan hobbelend achter een trekker op de landweg door de Wouwse plantage, zoon Rover in diepe dut in het achterzitje, een innig gevoel van tevredenheid. Welke vader vindt op een werkdag tijd om zijn dochter van school te halen? Eten we vroeg, ben ik nog op tijd in Naaldwijk, waar ik met wat zang en dans een aardige boterham verdien.

 

WOENSDAG

Vrije dag. Nu de Doe Maar bom twee maanden ons gezinsleven heeft geplet, misschien iets bijdragen aan het huishouden?

‘Ik haat mannen die hun eigen was doen,’ grimt Daan als ik wat vieze sokken vanonder het bed vis. ‘Je mag de vuilnisbak buiten zetten, daar houdt het op.’

Tegelijkertijd zien we het gaatje: Elvis op school, Rover beneden voor Wallace & Grommit... “Maar ik ben getrouwd en heb twee kinderen,” brom ik. “Dat vind je vrouw niet erg,” fluistert Daan, “dat weet ik zeker.” Elk huwelijk zijn eigen erotiek.

Fluitend naar kantoor.

“Je mag in Carré!”  heeft Daan als eerste de mail gecheckt. Wauw. 10 December 2007 viert meneer Rot zijn vijftigste verjaardag met een gezelschap illustere gasten in de nationale theatertempel. De eerste toezegging is van Henny Vrienten: “Als jij 't opbrengt om 'n 1/2 jaar lang mijn songs te zingen, sta ik toch wel danig in het krijt.’

‘s Avonds met de kleintjes in bad en naar bed, waar we King Lear kijken in een Russische verfilming, voorzien van Rover-commentaar: “Paardje bang.’ ‘Opa boos.’ ‘Meisje huile.’ Heel wat geschikter voor de tere kinderziel dan Plopkabouters, Ernst & Bobbie en ander met publieke omroepgeld betaald kinderdebiliserend tuig. Na een tukje er rond middernacht weer uit. Werken tot het ochtend wordt. Bijna ongestoord. (Nieuw chinees gezegde: ‘Beter dan een zeurende kat wegtrappen, is hem te eten geven.’)

 

DONDERDAG

In restaurant 1e Klas op het Centraal Station zit een tafeltje verder Henk van Gelder. ‘De Doe Maar-cast was geroerd,’ doel ik op de schitterende NRC-recensie.

‘Dat was dus wederzijds,’ grijnst hij.

‘Er blinkt een nieuwe carriŹre als acteur?’ vist hij, als ik hem voorstel aan mijn gesprekspartner, regisseur Marcus Azzini. Maar nee, ik zit hier als vertaler voor Hair, volgend seizoen. Azzini wil het verhaal naar deze tijd halen, met vooral veel jonge acteurs.

Voor sommige liedteksten vragen om moeilijkheden. Misschien kan er één ouwe stomp bij, die jong was in de hippietijd. ‘Wat dacht je van Bill van Dijk?’ denk ik hardop. ‘Die maakte in 1969 zijn debuut in de eerste cast van Hair.’

Azzini noteert het nummer. ‘Ik wil in ieder geval met hem praten, hoe dat was.’

Met de tram naar het Concertgebouw, opstapplaats voor de Doe Maarbus. Mensen, wat ziet de stad eruit. Je moet er al wonen, om niet prompt te willen vertrekken.

‘Alles wat je zegt, kan gebruikt worden,’ waarschuw ik mijn collega’s, maar een theatergezelschap kent geen hobbelend-busje-bandjesromantiek. Voorbij Abcoude is de helft verdwenen onder koptelefoon of achter zonnebril.

In theater de Lievekamp in Oss worden we opgewacht door producent V&V. Binnen een week zijn de meeste zalen uitverkocht geraakt en de roep om reprises voor volgend seizoen is groot.

Tot de zomer 110 keer en daarna nog eens zestig? Ik heb tot zondag om erover na te denken.

 

VRIJDAG 2 februari

‘Let the sunshine in’ knalt door mijn kop, als ik mijn ogen opensla. Voor het eerst sinds twee maanden wakker zonder Doe Maar-liedjes. Dat komt vanavond weer.