Uit Trouw 4-4-2007

 

Rot maakt de Mattheuspassie menselijk

door Emiel Hakkenes

 

Tot vreugde van theoloog Wiersinga geeft Jan Rots ’Matteuspassie’ twijfel de ruimte. ’In mijn generatie was dat niet geoorloofd.’

Het was ergens in de oorlogsjaren en hij zal een jaar of veertien geweest zijn, zegt Herman Wiersinga, toen zijn moeder hem in Den Haag voor het eerst meenam naar een uitvoering van Bachs ’Matthäus Passion’. Sindsdien hoorde hij talloze uitvoeringen van het werk, en zong hij ook zelf eens gedeelten eruit. Toen Jan Rot vorig jaar zijn Nederlandse ’hertaling’ uitbracht van ’de Matteüs’, was Wiersinga’s interesse gewekt: hoe zou Rot omgaan met de idee waarmee de passie doordrenkt is: de kruistheologie – Christus heeft de schuld van de mensen op zich genomen, is voor onze zonden aan het kruis gestorven. Wiersinga heeft al zo ongeveer zijn halve leven ’de grootste moeite met die constructie’, zegt hij, en hij schreef daar een proefschrift over dat in de gereformeerde wereld voor beroering zorgde (zie inzet).

Neem het slot van het eerste deel van de passie, het koraal ’O Mensch, bewein dein Sünde groß’. „Dat is de barokke visie”, zegt Wiersinga. „Jezus sterft voor ons. Dat is ook wat de evangelist in de passie verkondigt. Zijn rol is niet die van onpartijdige verteller, maar van prediker.”

Met andere woorden: Bach en zijn bevriende tekstdichter Picander brengen in hun werk ook (zeer traditionele) theologische ideeĎn over. Wat doet Jan Rot daarmee? Wiersinga schuift de cd van ’de Mattheuspassie’ in de speler. „Ik zal het je laten horen.”

’Zie de mens in deze mens / Ach, een kind, zo blij geboren, / groeide op, leek uitverkoren. / Dromend van een nieuwe orde, / is hij zelf de slang geworden. / Zie de mens, je medemens.’ (aria, nr 12)

„In het Duitse origineel slaat dit op de moeder van Judas, die verdriet heeft om haar kind. Maar bij Jan Rot wordt het van toepassing op Judas én op Jezus. Ze zijn allebei medemensen die zich inzetten voor een ander. Judas krijgt hier dus duidelijk een veel positievere kleur dan bij Bach, die hem nogal zwart-wit afschildert als alleen maar slecht, de verrader.

Rot sluit aan bij de idee die ook centraal staat in het Judasevangelie, dat Judas’ verraad óók gezien kan worden als een bijdrage aan Gods plan. In ieder geval oordeelt Rot minder stellig over Judas dan Bach. Hij durft hier te twijfelen aan de traditie, laat de mogelijkheid open dat Judas niet alleen maar een sluwe verrader is, maar ook een idealist.

Judas afschilderen als slechterik is wel erg makkelijk. Dat Rot dat niet zomaar overneemt, waardeer ik. Hij geeft een vrijmoedige interpretatie aan het evangelie, dat zelf natuurlijk ook een interpretatie van de gebeurtenissen is. Hoe zegt hij het ook alweer in het voorwoord bij zijn hertaling? ’Het verhaal is een interpretatie, gekleurd door fantasie, intuētie en smaak’. Ik vind dat moedig.”

’Hoe kan één man alleen dit dragen? / (...) Hij roept ons een voor een voor een.’ (aria, nr 26)

„Het mooie hier is dat de tekst eerst vraagt hoe één man dit, dat is Christus’ lijdensweg, kan dragen, en vervolgens zelf het antwoord geeft: hij hóeft het niet alleen te dragen, want hij roept ons een voor een. Daarmee worden wij allemaal bij het lijden betrokken. Dat is een belangrijk omslagpunt: Jezus is nu niet meer de exclusieve verlosser, maar een voorganger die ons meeneemt. Het kruis, lijkt Rot te willen zeggen, moeten we samen dragen – iederéén is deel van het lijden en het onrecht, dat moeten we samen uit de wereld helpen.

Dat is nogal een afwijking van de traditionele kerkelijke theologie, waaruit je de indruk kunt krijgen dat God zijn zoon laat sterven achter de rug van ons mensen om. Daar kan ik maar moeilijk mee leven, ik zoek naar een verzoeningsleer waar mensen als deelnemer bij betrokken zijn. Maar dat is een zaak die kerkelijk gesproken moeilijk ligt.

Rot slaagt erin om het lijdensverhaal herkenbaar te maken voor gelovigen en niet-gelovigen, voor klokkenluiders, voor iedereen die vecht voor zijn idealen. Ergens anders laat hij Jezus’ moeder zeggen: ’te veel dromen, te veel idealen, idealen zijn vaak fataal’.”

’Maria huilt... / Mijn God, bestaat u wel? / Of zijn mijn tranen zinloos?’ (aria, nr. 47)

„Luister goed wie hier aan het woord is. Het is Maria Magdalena, en niet Maria de moeder van Jezus. In het koraal dat hierop volgt, duidt Rot Maria Magdalena aan als ’Jezus’ bruid en priesteres’. Dat gaat mij te ver, dat weet niemand, het zijn ’Da Vinci Code’-praatjes. Maar wat ik mooi vind, is dat Maria hier de voorzienigheid ter sprake brengt. Ze vraagt zich af of er wel een grote manager is die alles regelt. Dat is een twijfel die raakt aan de kern van iedere godsdienst.

Verderop in de passie komt dat terug in de tekst van moeder Maria: ’Ach Golgotha, onzalig Golgotha! Deus ex machina, je laat je kind creperen’. Tegen dat godsbeeld, van de almachtige die uit het niets kan ingrijpen, verzette ook Dietrich Bonhoeffer zich: want waar was God dan in de concentratiekampen, en waar is hij in ons lijden? Die vraag tref je bij Bach niet aan, en eeuwenlang luidde het antwoord: al weten we niet welke, God heeft een bedoeling. Daaraan twijfelen was tot in mijn generatie niet geoorloofd. Gelukkig doet Jan Rot dat wel.”

’Wij zijn de weg, wij zijn de waarheid! / De hemel licht in iedereen, / de hemel ligt in iedereen. / Eenzaam samen, samen één.’ (koor, nr. 78)

„Dit is de slotzin van het hele stuk. Het beeld dat het bij mij oproept, is dat we ook in een heelal zonder Jezus in de buurt om ons op te beroepen, of zonder traditionele God, tóch worden gedragen – door anderen, medemensen. We hebben een voorbeeld, Christus, maar we moeten het zelf en samen doen. Dat de hemel in iedereen licht en ligt, dat vind ik een heel mooi motto.

Goed, ik zal niet ontkennen dat Rots hertaling van de ’Matthäus Passion’ mij zoveel doet, omdat het heel goed aansluit bij wat ik zelf denk, en hoe ik ben. Ik kan me ook goed voorstellen dat er mensen zijn die vinden dat de theologie van Jan Rot Christus té menselijk maakt, en hem daarmee tekort doet. Maar ik denk dat Rot erin geslaagd is een tekst te maken waarin de kracht klinkt van emoties die herkenbaar zijn voor de hedendaagse seculiere mens. Rot zegt zelf: ’Het is een verhaal van mens tot mens. Over zinloos geweld, desinteresse, vooringenomenheid, angst, afkeer en leedvermaak tegenover een zuiver hart vol geloof, hoop en liefde en idealen. De wil kan nog zo sterk zijn, het vlees is zwak.’

Deze Matteüspassie zet mensen aan het denken over grote vragen: hoe zit het eigenlijk met die verzoeningsleer, en bestaat er zoiets als de voorzienigheid? Dat zijn emotionele kwesties. Die worden niet alleen opgeroepen door de teksten, en de theologie die daaruit spreekt. Het zit ’m ook, en misschien wel vooral, in die prachtige, ontroerende muziek.”

De ’Mattheuspassie’ van Jan Rot wordt vrijdag uitgevoerd in een uitverkochte Geertekerk in Utrecht. Volgend jaar zal er o.m. een uitvoering in Nijmegen zijn. Rots ’Mattheuspassie’ is verkijgbaar op cd (uitvoering: Haags Matrozenkoor, Residentie Bachkoor en Residentie Orkest olv Jos Vermunt) en met bladmuziek te bestellen via: www.janrot.nl

Wiersinga’s ideeĎn zorgden voor ophef

Herman Wiersinga (1927) baarde in 1971 opzien met zijn proefschrift ’De verzoening in de theologische discussie’. Op het thema was hij gestuit in zijn predikantschap: telkens weer dat lijdensverhaal voor Pasen, en de kerkelijke leer dat God Jezus’ bloed nodig had om voor de zondige mens verzoening te bewerkstelligen. Wiersinga keerde zich daar tegen en raakte de achilleshiel van de kerk. Een nationaal kerkelijk conflict volgde. Deze ’kwestie-Wiersinga’ liep in 1976 met een sisser af; de gereformeerde synode vond Wiersinga’s ideeĎn ’niet toelaatbaar’, maar zette hem niet de kerk uit. Wel voelt hij zichzelf sindsdien buitenkerkelijk.