Koning Jan

Koning Jan

Vers

Op mijn gitaar kan ik zacht een snaar aanslaan
en dan mijn vingers vormen tot een ongewoon akkoord
of laat des avonds langs de door de storm beruiste bomen gaan

'k Kan bladeren in een boek met platen
of op een nieuw vel van mijn bloc een streep zetten
of dwalen naar de stenen bank waar we eens stonden

Of met de trein naar Zandvoort naar het strand gaan
en naar de grijze zee en de verlaten branding kijken
en dan met gave schoongespoelde schelpjes in mijn hand staan

Jan Hanlo, 1912-1969
(Gedichten, uitgeverij G.A. van Oorschot)

Mijn kleine paleis

De wereld en ik zijn uit elkaar geraakt. De wereld en ik zijn vervreemd.
En misschien is dat maar beter zo. Al te lang heb ik mijn tijd aan haar verspeeld.
En ze zullen daar wel denken dat ik dood ben.
En laat ze daar maar denken dat ik dood ben. Misschien is dat ook wel zo.
Want de wereld en ik... ik ben de wereld kwijtgeraakt.
Buiten is het lente, mooie meiden zwieren over straat.
Buiten zijn de feesten, mooie jongens in de nacht.
Buiten heerst de passie voor succes, vooruitgang en lawaai.
Voor hen ben ik dood, zoals ik hier woon in mijn kleine paleis op de heuvel.
Ik leef alleen, in mijn liefde en mijn lied.
In mijn kleine paleis op de heuvel leeft voor mij de wereld niet.

(Vrij naar Ich bin der Welt abhanden gekommen van Friedrich R&uumlckert, 1788-1866)

Een muur en een muur

Een muur en een muur en een muur en een muur met een deur
een schets van een muur en een muur en een muur en een muur met een deur
Een jas en een schoen en citroen en papier op een tafel
een schets van een jas en een schoen en citroen en papier op een tafel
Een hand en een brief en een mond en een mug
een schets van een hand en een brief en een mond en een mug
Een oog en een mond en een schoen en een muur
een schets van een oog en een mond en een schoen en een muur
Een citroen en een jas en een brief en een muur
een schets van citroen en een jas en een brief en een muur
Een schoen en een hand en een oog en een muur met een deur
een schets van een schoen in een hand en een oog in een muur zonder deur
Zijn werkelijk, zijn werkelijk, herhaal ik, herhaal ik, prent in
zijn toch werkelijk de tekenen van een bestaan
buiten vier vuurvaste naadloze muren

(Oorspronkelijke tekst: Aangepast sonnet voor Breyten Breytenbach van H.C. ten Berghe, Nieuwe Gedichten, uitgeverij De Bezige Bij)

Goena-Goena (Stille kracht)

Sterren boven Rantepao, een klamme tropennacht.
Tachtig jonge jongens houden bij het lijk de wacht.
Tachtig jonge jongens, schorre kelen, hand in hand,
zingen boze geesten weg op de reis naar Dodenland.
Elke twee uur is het pauze en dan staan ze om mij heen.
Maar ik ben, als de dode boven, moederziel alleen.
Stille kracht.

(Genspireerd op de badong uit Tanah Toraja, Indonesi.)

De koning huilt

Dienaren zwermen om hem heen, maar toch slaapt 'ie 's nachts alleen.
De koning huilt. Hij groet de majordomus en de dames van het hof, de nar -
terug van verlof. Maar de koning huilt.
Hij kan het zich veroorloven te huilen om zijn lot. Hij is geen domme onderdaan, hij staat vlak onder God. Met zijn paleis van gouden muren en een poort van platina, wie doet hem dat na? Maar de koning huilt.
Hij houdt de wereld in zijn hand, maar te rechtvaardig, te coulant - "Verdeel en heers!" fluistert zijn grootvizier.
Z'n schatbewaarder rommelt met z'n schat.
De koning staat niet mat, maar het scheelt niet veel.
Hij wil zo graag geliefd zijn, n te midden van zijn volk, maar ach, hij spreekt hun taal niet en ontbeert een goede tolk. De koningen die vr hem kwamen, wisten hoe het moest: regeerden, profiteerden, leefden woest.
Maar deze koning huilt.
Een jochie van een jaar of tien staat schuchter bij de poort.
Hij heeft van deze koning van z'n moeder veel gehoord. De koning ziet de rozen niet die 't jochie bij zich draagt, en geeft het kind een aalmoes, ongevraagd...
Arme koning, stoor 'm maar niet. Hij ziet ons toch niet.
De koning huilt koninklijke tranen, zo oprecht, zo gemeend.
De koning weent, de koning huilt.

Koning Jan

Jan was voor 't geluk geboren, zo was 'm dat al vroeg geleerd. Maar vanaf een jaar of veertien raakte hij in zichzelf gekeerd. Hij praatte zacht met zijn konijnen, riep vage zinnen in de wind. Kon soms treuren als een dichter en dan weer lachen. Als een kind. Hoewel niets wezenlijks hem dreigde, werd zijn hart door angst verteerd. Het dagelijks leven als een foto waarop je pseudo-vlot poseert. Hij kon niet weten wat hij miste, tot iemand iets bij toeval zei. En op het Mardi Gras Fista liep hij zichzelf tegen het lijf. Hij zag ineens een weg naar 't leven, hij was ineens niet meer alleen. Een broederkerk vol echte vrienden, in neonlicht en halogeen. Hij is nu droeviger en wijzer, maar toch nog steeds hetzelfde joch. Draagt geen kleren van de keizer, maar iets ontbreekt er hier toch nog...

Zoveel liefgehad

Ver van huis kruiste een conijntje mijn nachtelijk pad. Ik legde aan en miste niet.
Zo warm nog, zo zacht nog, mijn hele lichaam juichte toen 'k conijntje 's morgens vroeg voorgoed verliet. Maar toen ik thuiskwam, toen wist ik onmiddellijk hoe laat het was en dacht ik weer aan wat ik had geleerd: 'Een zoveelste vriendschap, die een avondje duurt en een leven lang pijn doet.'
(1), Een zoveelste liefde. 'Zoveel liefgehad, nu ben ik moe.' (2)
In mijn ooghoek zag ik iets bewegen: de onschuld van een drinkend hertje, die uit beide bruine ogen sprak. Hertje had dorst, die ik kon lessen. Hertje had honger, ik gaf hertje alles waar 't maar aan ontbrak. Maar toen ik thuis kwam, toen wist ik onmiddellijk hoe laat het was en dacht ik weer aan wat ik had geleerd:
'Een zoveelste vriendschap, die een avondje duurt en een leven lang pijn doet.'
Een zoveelste liefde. 'Zoveel liefgehad, nu ben ik moe, zo moe.' En dan denk ik aan mijn moeder, die zei: " 'k Heb ooit maar &eacuten man liefgehad, en dat was je vader..."

(1. Pier Paolo Pasolini. 2. Jacob Israel de Haan.)

Joris, Doodt & Krysis

Joris is de naam van mijn gitaar. Ik noem de dingen bij namen, alles om me heen. De gordijnen voor het venster zijn Robbie en Marleen.
Ik babbel met de bloemen en brom op Ben de Balpen, al krabbelt 'ie nog zo vlug.
Die hanglamp heet Marijke en de tafel Barteljoris.
En dit is mijn theekop Mug (komt uit Engeland).
Sonja is mijn kleine accordeon. Sonja - kleine witte accordeon. Dingen zijn als mensen: geen hart en geen gevoel. Maar trouwer in de omgang.
Neem Hans, mijn luie stoel (loopt nooit weg).
Ik fluister met de vazen, maak grapjes met de koelkast en de vlekken op mijn rug.
Die vlekken heten Jantjes, de koelkast Jannemieke en de vazen Ach, Och en Ugh.
Ik praat met Doodt en Krysis, mijn opgezette katten.
Ik praat met mijn theekop Mug. Maar misschien is het wel beter wanneer ik die eens wegdoe, want gister zei Mug iets terug...

Alles staat nog net zo

Dit is de deur waardoor je gekomen bent op een dronken ochtend in mijn bestaan. Dat is de stoel waarop je gezeten hebt toen ik je kuste, zacht-zachtjes in je nek. Alles ruikt nog naar jou, alles klinkt nog naar jou. Alles staat nog net zo.
Dit is het glas waarmee je geklonken hebt op ons driejarig samenzijn. En dat is het bord waarvan je gegeten hebt - wat ik toen niet wist - ons laatste avondmaal.
Alles draait nog om jou, alles wacht nog op jou. Alles staat nog net zo.
En hier is het bed waarin je geslapen hebt, je zaad vermorst, je zweet gestort. En dit is de brief die jij me geschreven hebt... Alles wacht nog op jou, alles draait nog om jou, alles staat nog net zo. Alles ruikt nog naar jou. Alles huilt nog om jou.
Alles staat nog net zo.

Beeldje bij m'n bed

Op het kastje naast m'm bed staat een foto in een lijstje van een jongen als een meisje. En daarnaast, een beeldje. Van sierlijk porselein. Op het kastje naast m'n bed. 'k Bewaar het als herinnering van toen ik nog met Bobbie ging.
Bobbie ging, het beeldje bleef bij mij.
Porseleinen herderin, dans met mij de wereld in. Dans de rumba of de ska, techno-pop of cha-cha-cha. Porseleinen danseres, heel de wereld ons adres, 't maakt geen donder uit waarheen. Maar dans niet meer alleen...
Lig ik 's avonds in m'n bed, droom ik die droom en, telkens weer, beminnen wij elkander zeer. En dansen. Zorgeloos. Tomeloos. Eindeloos.
Porseleinen herderin, dans met mij de wereld in. Weense wals of jazz-ballet, polka, pogo, pirouette. Porseleinen danseres, koningin op mijn bordes.
Met spagaat of spillebeen, maar dans niet meer alleen...
Ik word wakker van een windvlaag. Blaast m'n dromen stuk en m'n spulletjes aan scherven. Wie verlicht nu nog mijn pijn? Ach, herderskind van porselein!
Nooit meer rumba of de ska, techno-pop of cha-cha-cha, Weense wals of jazz-ballet, polka, pogo, pirouette. Porseleinen herderin, nu stort ook mjn droomwereld in.
Want daar ligt in een stuk of zes mijn porseleinen danseres.

(Tekst: Bert Stroo)

Als je alleen woont

Als je alleen woont en je hebt ook geen verkering, kun je blij worden van een stukje kaas. Dat je in de koelkast vindt: "Wanneer heb ik dat gekocht dan?"
Of iemand anders dat voor je heeft gedaan.
En het is mooi als je middernacht 's thuiskomt en je snelt met volle blaas naar het toilet. En dat blijkt dan schoongeboend en fris te ruiken, omdat je je daartoe 's ochtends nog had gezet. En het is fijn dat je kunt draaien wat je wilt draaien. Net zo lang en zo hard als jij het wilt. En kunt slapen gaan wanneer je wilt gaan slapen. Alles doen zoals jij het wilt. En dan grijp je naar de fles, zegt tot de spiegel: "Op een dag drink je geen bier meer..." En je lacht.

Op een dag komt alles goed

Op een dag komt alles goed, dan wordt de wereld weer de mijne. Dan gaat de zon weer h&eacutel erg schijnen. Op een dag komt alles goed. Sta ik tevreden bij het raam, zie blije kinderen blij spelen. Een blijde stem roept blij mijn naam; op een dag komt alles goed. Buiten fluiten vogels vrij. Wij, hand in hand, langs groene dreven. Wat een voorrecht om te leven! Op een dag komt alles goed.
(En tot die tijd lig ik nog hier tussen kratten lege flessen. Ik val echt nooit in slaap voor zessen. Pas als mijn kussensloop doorweekt is en de hemel afgesmeekt is, draai ik me op m'n buik en denk:)
Op een dag komt alles goed. Worden mijn vijanden mijn vrienden, wordt elke blinde helderziende - want wie goed doet, wie goed ontmoet. Dan is het elke dag weer feest, het Koningshuis komt op visite! Dan is het elke dag genieten; op een dag komt alles goed. Jij staat tevreden bij het raam, een blos van blijheid kleurt je wangen, je blijde stem roept blij mijn naam: "Schat, wat hebben we het toch goed!"
(En tot die tijd zwerf ik op straat, van 's morgens vroeg tot 's avonds laat. Vol wanhoop, bitterheid en haat schuim ik alle kroegen af en wie me ooit een biertje gaf, begroet ik als vriend. En als zo iemand me dan vraagt hoe het nou &eacuteigenlijk met me gaat, zeg ik met een wrange lach: "Nog veertig jaar, dan is 't weer klaar!")
Want ook al is het in mijn graf: op een dag komt alles goed!
Op een dag komt alles goed?
Op een dag komt alles goed!

Terug naar overzicht


Schout bij nacht

Schout bij nacht

Niets aan de hand

Tranen zijn maar
water. En water doet geen pijn. Het is niets.
Niets aan de hand. Nee, joh. De een verlaat de
ander. Gebeurt elke dag en overal. ("I'm gonna
miss you" - krijg je mooie liedjes van.) Het is
niets, echt niet. Niets aan de hand. Nee, joh.
En "Morgen wordt alles beter, wordt alles
mooier, komt alles goed," zingt Bonnie
St. Claire. En daar houd ik mij aan. Want
Bonnie, ja, is goed. H Bonnie... niets aan de
hand!

Sporen van Calvijn

Ik leef alleen
voor Ware Liefde, en krijg haar zelfs niet op
papier. Was ik dichter, als een vrouw in barens-
nood. En dan baren. En dan dood. Eerst baren
en dan dood. Barend ten onder.
De sporen van Calvijn, als boeien. Achter mijn
bureau vast: werken, werken, druk-druk-druk.
Dag in, dag uit. Werken, werken, druk-druk-
druk. Op zondagavond uit. Misschien op zon-
dagavond uit. Een heftig doodsverlangen naar
de hand van Magere Hein, jaah! Een heftig
doodsverlangen naar de schoot van Moeder
Aarde. Een heftig doodsverlangen naar de
koude natte grond. Sterf af, jij steeds ouder
wordend lichaam. Sterf af, jij steeds dikker
wordend hoofd. Sterf, sterf, sterf onder het
jonge, groene gras. Sterf, sterf, sterf en verrijs
dan uit je as. verrijs dan pas uit je as. Laat een
ander maar mijn as!
"Jawel meneer de zanger, over vijf minuten op.
Zelfs de burgemeester is gekomen! Met z'n
vrouw!" Was ik straatmuzikant, twee liedjes
voor n piek. En dan drinken. En dan dood.
Eerst drinken en dan dood. Lallend ten onder.

Brief van boord
voor F. Schuurman

hoe zwaar zijn onze ogen nu
de bruiloft van hart en handen is mislukt
hoe langzaam hebben wij de zee
toegewoven maanden lang maanden lang

overmorgen komen wij in Tampico
aan: daar zal de zee stilstaan en wij zullen
uit haar stappen als uit een koets
o land o herberg voor mij dromen!

in de schommel van de wind lig
ik dromend over muziek en gedans
in de dauwdrop van de maan leef
ik en verzin een hemel van sterren.

wij gaan met 13 knoop naar Tampico.

Hans Lodeizen

Dans en vergeet

Is er leven vr de
dood? Je bek is klein, je hart zo groot. Kun je
beginnen in de goot? Dans en Vergeet. Als een
reaus in een kinderbed. Als een bouvier in een
eenmansflat. Steeds strakker spant het net. Het
net geeft niets meer toe. Echte muzikanten
dansen nooit. Maar mensen zoals jij en ik, die
willen soms een dreun. Die de hersens uit je
hoofd beukt en gevoelens kort en klein slaat.
Die je alles doet vergeten, leven terugbrengt
tot een vierkwartsmaat. Dans en Vergeet.
De weg is lang, het lichaam moe. Hoe ontloopt
de haas de koe? Waar is iedereen naar toe?
Dans en Vergeet...

Elke avond dronken

Elke avond
dronken in hetzelfde caf. Elke avond dronken,
wie drinkt er met me mee? Die net als ik
z'n lief heeft verloren, die net als ik z'n toekomst
heeft versteerd. Net als ik totaal de weg krijt.
Elke avond dronken in hetzelfde caf.
Elke nieuwe morgen denk ik: ik kap ermee.
Elke nieuwe morgen draag ik mijn water naar
de zee. Maar 's avonds, jaah, voor de tv, met
n oog op m'n jas, dan weet ik weer waarom
het allemaal was. En eindig, als elke avond
dronken, in hetzelfde caf.
Dit is de hel van Heartbreak Hotel, het liefst
ging ik dood, pijnloos en snel. Het liefst maakte
ik me nu ter plekke na kant, maar ik wil niet
sterven door eigen hand. Ik heb toch mijn
vrienden, het zijn er een paar, die dat niet ver-
dienden, dus laat ook maar. "We moet'n
door!" zei Oma altijd, dus gn we door, de
wanhoop ten spijt. Elke minuut kom ik nader
tot U, maar het duurt nog zo lang, het liefst
kwam ik nu. Op het toilet, vinger in de keel,
komt het naar buiten: scherp, zuur en veel. In
de spiegel, in het felle licht, zie ik de mens, zie
zijn gezicht...

Is dit liefde

Is dit Liefde wat ik voel, of
vuige lust en hoererij? Is dit morgen weer alle-
maal voorbij, of is het Liefde wat ik voel? Is het
de regen op het dak, die dit zo zwaar roman-
tisch maakt? Zijn het mijn kreunen of de zucht-
jes die je slaakt? Of is het Liefde wat ik voel? Ik
wil zo graag geloven... Ik knijp in mijn armen,
bang dat ik droom. Ik wil zo graag geloven, en
stel dat het waar is, dat ik net droom... Is de
wereld dan nog rond? Of is nu niets meer wat
het was? Geluk en liefde zaten jaren achter glas
- dit is toch Liefde wat ik voel? Ik wil zo graag
geloven dat ik jaren en jaren op jou heb
gewacht. Ik wil zo graag geloven dat alles voor-
goed begint vannacht.
Ik wil zo graag geloven dat je de ware bent.
Ik wil zo graag gelukkig zijn...

Alles wat goed is gaat voorbij

Weet je nog die eerste keer? Aan het water?
Liggend aan de Seine met de wijn tussen ons in,
dromend over later. En weet je nog die dag
daarop, in Marseille? Dat wij met veel kabaal
uit die kakkroeg zijn gezet, omdat we zaten te
vrijen. Weet je nog? Weet je nog?
Alles wat goed is, gaat voorbij. Weemoed is
wijzer dan pijn. Deemoedig heb ik aanvaard
wat je zei: 'Alles wat goed is gaat voorbij...'
En weet je nog, onze honingmaan? Winter in
Wenen. Ik droeg jou over de drempel en je
stootte hard je hoofd, en schopte naar mijn
schenen. En ik smeet tante's trouwcadeau
woest tegen de verwarming. Bij het zien van al
die scherven schoten wij zwaar in de lach en
vielen in elkanders armen. Weet je nog?
En weet je nog, die laatste keer - op mijn ver-
zoek - in Rome? Dat ik maar niet begrijpen
wou, dat het einde in zich was gekomen? En jij
ineens die bekentenis deed, zo schrijlings zit-
tend op die fontein uit 'La Dolce Vita'...
"Splash!!!" Nooit spijt van gehad...

Zij waren altijd samen

als zij het verkeerd gedaan hadden
in de herfst

als zij in de lente lagen
als zij fietsten
want de zomer gaat voorbij
en de winter is niet eenzaam
als hij ziek was en in zijn hand
lag als een geschenk de ander

als zij ziek in bed lagen
en het bed de huifkar was
van hun vrees

als het bed de vallei was van hun
juichen en het lichaam rustte

als de dagen lang werden

zij waren altijd samen.

Hans Lodeizen

Hard zingend in het donker

Ik kwam om te praten. Met n zin wist je me
verbaal neer te slaan. Ik heb mijn glas half leeg
gedronken en ben naar buiten gegaan.
Hard zingend in het donker loop ik door de
stille stad. Hard zingend in het donker:
"Lalala..." Je krijgt me toch niet klein.
Ik had het thuis geoefend, werd door mijn plei-
dooi zelf meegesleept. En hier ga ik - volwas-
sen, vurig minnaar - als een kleine rukker afge-
scheept. Hard zingend in het donker, loop ik
door de stille stad... "Lalala, je krijgt me toch
niet klein.
God, geef mij de moed om nu weer terug te
gaan en terug te slaan met woorden. Kalm,
maar echt. En zo terecht, want dit is zo
gemeen... Ik vecht tegen mijn tranen, de nagels
snijden in de palm van mijn hand. Krijg ook de

in het donker, loop ik door de stille stad. Dan
breekt mijn stem en wordt het stil op straat...

Schout bij nacht

Hij kan geen hand voor ogen zien: laserstralen
en een rookmachine. De stroboscoop jaagt op
z'n brein. Kan een mens hier ooit gelukkig zijn?
O schout bij nacht, hand aan 't roer! O schout
bij nacht, sterk en stoer! Duizend drumbeats
per minuut. Hakkh hakkh hakkh. Duizend
drumbeats, maar toch resoluut. Aan de naald
van z'n kompas ziet ie waar ie is en waar ie
was. O schout bij nacht, hand aan 't roer! O
schout bij nacht, sterk en stoer! Zeil maar om
de zee van zielen heen. Onveilig ijlen de
Sirenen aan de kant. Dweil maar door tot aan
de ochtendkrant: de schout bij nacht houdt
trouw de wacht! Gaan de grote lichten aan, blijft
ie even nog vertwijfeld staan. De garderobe-
jongen lacht. En buiten zingen duizend vogels
zacht: "O schout bij nacht, hand aan 't roer! O
schout bij nacht, sterk en stoer!" Z'n ogen
knipperen tegen 't ochtendlicht. Z'n plicht gedaan, nu zijn toch alle kroegen dicht.
Misschien morgen komt er land in zicht. O
schout bij nacht, slaap nu maar zacht. Dit is de
wissel van de wacht.

November

Het regent en het is november:
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.

En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.

De jaren gaan zoals ze gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove erinneringen
en wat geleefd wordt en verbeid.

Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan den tijd;
Altijd november, altijd regen
Altijd dit lege hart, altijd.

J.C. Bloem

Naar huis

Met het personeel de enige
persoon in 'Pizzaland'. Heb jij voor jezelf al
gekookt? Het karafje witte wijn al bijna op, 't is
gif, m'n maagzuur brandt. Wedden, dat jij ook
weer rookt? Uit goedkope speakers kreunt het
'Cry' van Johnny Ray. In stilte kraai ik met 'm
mee. Ik weet waarom het is, waarom we dit zo
doen, waarom het moet. Maar man o man, het
valt me niet mee. Ik wil weer naar huis. Ik mis.
ons tuintje, ons straatje, de buurvrouw d'r
praatje. Ik wil weer naar huis. Op de bank met
een krantje en ons lievelingsbandje. Ik wil weer
naar huis. De televisie op mijn kamer is weer
stuk - o stom hotel. Ben je blij nooit meer
voetbal te zien? Was dit m'n laatste schone
onderbroek, dat kan toch niet, het moet haast
wel... Doet 'ie 't nog, mijn wasmachine? M'n
handdoek knal ik na het douchen op het kleine
kabinet en je foto valt naast me op bed. Ik
weet waarom het is, waarom we dit zo doen,
waarom het moet, maar ik weet echt niet of ik
het red. Ik wil weer naar huis. En dat het weer
&aacuten is, en dit van de baan is. Ik wil weer naar
huis. Dat de liefde weer opbloeit, dit toch naar
iets toegroeit. Ik wil weer naar huis.
'Zoals het klokje thuis tikt, tikt het nergens',
hangt hier aan de muur. Maar Poeske, mijn huis
is bij jou! Ik wil weer naar huis. Geknuffel. Op
schootje. Drie kusjes een blowtje. Ik wil weer
naar huis. Met de hond in haar mandje, niks
aan het handje. Ik wil weer naar huis. Ik wil nu
naar huis. Dat we 't allebei weten, dit verder
vergeten. Dat we stoppen met kloten, dit
hoofdstuk gesloten. Gewoon maar proberen,
de tijd zal het leren. Of nee... ik wil dat we ons
binden! Ik wil trouwen! En kinderen! Ik wil
naar huis...

Geloof, hoop en...

Geloof, Hoop en
Liefde wordt Twijfel, Spijt en Berouw. Waarom
weet ik enkel maar bij anderen hoe het moet.
Waarom loopt wat goed bedoeld is nooit een
keertje goed. Waarom wordt de overvloed
gevolgd door tegenspoed. En wordt geloof,
hoop en liefde - zeg het maar kinders - twijfel,
spijt en berouw. De fouten uit 't verleden zijn
de les waarvan ik leer. De geschiedenis her-
haalt zich, maar toch merk ik keer op keer, 't is
altijd weer hetzelfde liedje, wat ik ook probeer:
geloof, hoop en liefde eindigt in twijfek, spijt en
berouw. Moeder, lieve moeder, neem uw zoon
terug in uw armen. Vader, heb erbarmen. Ik
wil weer negen zijn en dat ik niet weet dat
geloof, hoop en liefde verandert in twijfel, spijt
en berouw. Ik wil Geloof. En Hoop. En Liefde.
En geen twijfel, spijt en berouw. Ik wil Geloof
en hopen, hopen Liefde. Ik wil...

Vandaag

vraag ik meer dan enkel het oor
van mijn liefhebber

vandaag zou ik gekust willen worden
door mijn vrienden

daarom spreek ik vandaag met andere,
rechtere woorden

andere

woorden voor de voorbijgangers
in de straten

Hans Lodeizen

Alleen wie alleen is

Dit lied is niet om
op te dansen. 't Is voor de radio. Terwijl jij
thuis op je bed ligt, sta ik hier in de studio. En
ik zing in de hoop dat jij dit hoort. Want alleen
wie alleen is, weet wat 'eenzaam' is. Zoek
iemand die ook eenzaam is. Eenzaam niet
alleen. Dit lied is niet voor paartjes, gezellig
samen op de bank. Dit lied is niet voor jagers
die pakken wat je pakken kan. 't Is niet voor
publiek, 't is tot een persoon. Want alleen wie
alleen is, weet wat 'eenzaam' is, zoek iemand
die ook eenzaam is
. Eenzaam niet alleen.
Dit lied is om te overleven. Het is een nood-
kreet op niveau. 't Is enkel maar voor jou
geschreven. Zo zijn we eenzaam niet alleen.

Moedig voorwaarts

De maan was vol. En in haar licht las ik de
trouw van je gezicht. Je grinnikte met schorre
stem: "Ja, dat had je niet gedacht! Ik ben nou
dat 'Broertje' waar je zo lang op hebt
gewacht!" Ik keek op naar de hemel, dankte
God: het was volbracht... (Ik droomde dat ik
wakker werd uit een boze droom, maar toen
ik wakker werd, bleek dat ik had gedroomd.)
Mario Lanza klonk over de veranda, de vitrage
schommelde zachtjes in de wind. Ik sprokkelde
houtjes voor het vuur, jij bakte visjes. Puur
natuur. Ik dacht: geluk herken je dus, als je 't
eindelijk vindt... (Ik droomde dat ik wakker
werd uit een boze droom. Maar toen ik wak-
ker werd, bleek dat ik had gedroomd...)
Moedig voorwaarts!

Terug naar overzicht