Ergens in 2015. ‘Als jij een laatste avondmaal mocht organiseren, wie nodig je dan aan tafel?’ De radioman kijkt mij vorsend aan, blij met zijn eigen vraagje, maar ik zucht. 

‘Dat soort dingen heb ik niks mee,’ weer ik af en vertel over de toekomstplannen. Een show over ‘mijn jaren’ zeventig, Jan Rot, Jong & Veelbelovend. 

Terug in de auto grijns ik nog eens schamper, om dat soort vragen. Misschien zit er wel een leuk lied in. Thuis achter mijn Macbook tik ik de eerste zin:

Stel dat het zou kunnen... met wie wil je dineren? 

Tsja, met wie. 

Wordt het Jezus, Albert Einstein of Martin Luther King?

 Ja en dan? Wie zou je echt willen spreken? Da Vinci? Rembrandt? Nee, muzikanten dan liever.

Of wordt het Bach of Mahler? De jonge Pavarotti?

Om de laatste moet ik hardop lachen. Wie zou hem ooit uitkiezen voor zijn diner. Maar wel een goddelijke stem, en lekker verrassend. Maar als ik echt mocht kiezen? Het rijmwoord op King wijst zich vanzelf:

Of nee natuurlijk Elvis, dat ie even voor je zingt.

Hoe nu verder. Wat je wilt eten of drinken? Of waar jullie het over gaan hebben? Mwah, ik ben al klaar met die maaltijd. Van Vader Abraham geleerd. Overschakelen van onderwerp. Blijf niet bij één situatie hangen, waarin ‘een man niet mag huilen’, maar voer het op.

Stel dat het zou kunnen... jij kan iets voorkomen.

Wordt het 9-11, Hiroshima, Rotterdam?
Fuck, die hakt erin. 

Ik zie Buddy Holly het Bonanza vliegtuigje instappen voor The Big Bopper en Ritchie Valens en roep gesmoord: stop! En waarschuw de stuurman van The Titanic voor de ijsberg onder water. Gooi de derde regel over een andere boeg.

Of red je Buddy Holly, of red je de Titanic

Of zegt Adam en Eva wat er van die appel kwam? 

‘Vader, eten!’ komt Elvis mijn kantoor binnen. Ik druk op bewaar en voeg me bij mijn gezin. 

Uren later kijk ik naar die twee coupletjes en kan er niks mee. Weet je wat ik zou willen? Echt? En dan schrijf ik het op:

Nee, geef me maar een uurtje met mijn eigen moeder

Mijn lieve, lieve moeder, ze is al zolang dood

Dan kroop ik in haar armen en zij streek door mijn haren

En zei met milde spot: God, kind, wat ben je groot...

 

En dan heb je wat. Het tweede couplet is niet moeilijk meer. 

Maar om nu in het refrein weer over die moeder te beginnen...  nee, gestorven vrienden. En voor de derde: met wie zou je in bed willen liggen? Maar dan leuker. Het antwoord is mooier dan verwacht.

Stel dat ik mocht kiezen, een nachtje in het Hilton

Solo en refrein, niks meer aan doen. Ik hoor er vrijwel meteen muziek bij, maar die is minder dan de tekst, dus ik sla ‘m niet op. 

 

Mijn nieuwe programma heet Kampvuur, met de mooist kampvuurliedjes als 'Donna Donna', 'House of the rising sun' en 'Blowin in the wind' knapperend vertaald. Maar ook vertel ik hoe ik in de jaren negentig vaak zomers op Vlieland was, en dan bij het kampvuur nieuwe liedjes uitprobeerde. En speel dan van Meisjes twee Rotklassiekers: 'Groot avontuur' en 'Als de wind waait'. En pak ter afsluiting van het blokje iets uit mijn multomap. Onaf. Onderdeel: Delete yes or no.

‘Je weet pas of een lied goed is als je het voor publiek probeert. Soms denk je thuis: wow en is het niks. Soms lijkt iets thuis niks, en gaat het met publiek leven. Ik heb er hier zo één... Ik heb er nog niet echt muziek bij, maar er komt vanzelf wel iets. De kans bestaat dat ik denk: wat een draak.  Maar troost u dan met de gedachte dat u niet alleen de eerste bent die dit ooit te horen heeft gekregen, maar ook meteen de laatste.’

Het publiek grinnikt. Trouwe Jan Rotfans hebben me dit grapje vaker horen maken.

Ik begin te zingen, beetje afwachtend, parlando, afwachtende akkoorden, maar gooi me er in het refrein ineens in. Dat bedoel ik. Wat mij op papier een tikkie gekunsteld liedje leek, blijkt diep te zitten en wordt waarheid. De rilling over mijn eigen rug, waar ik altijd op wacht als ik in de studio iets inzing houdt meteen aan. 

‘Dat liedje over uw moeder zou ik niet weggooien, hoor, dat was het mooiste van de hele avond,’ fluistert een mevrouw bij de cd verkoop na afloop. 

‘Ja, dat gaat wel wat worden, dat voel ik ook.’ 

De dagen erop hou ik ‘m erin. De melodie wordt steeds sterker. Zeker als ik bedenk dat Nederlandstalige muziek weinig aan gebonden noten doet, maar altijd alles oplost in lettergrepen.  Ik begin woorden te binden: uu-uurtje, moe-oe-der – het krijgt Roy Orbison-drama. Dit is mijn beste lied ooit! 

En past straks naadloos in dat nieuwe programma over de jaren 70!

 

De cd-opname voor Jong & Veelbelovend bestaat uit zeven vertalingen en zeven eigen liedjes. 

‘Ik vind je liedjes altijd al mooi, maar dat over je moeder...’ mailt de vrouw van drummer Léon Klaasse al. En dat is dan een demootje met zang en gitaar.

In de studio nemen we eerst de 7 vertalingen op. Dan is dag twee voor de eigen liedjes. ‘Rock & Roll (Mijn eerste keer)’, ‘Eindeloze zomer’, ‘Jong & Veelbelovend’ leveren geen problemen op. Bij het lied ‘Solidariteit’ merk je dat er iets gebeurt. 

‘Dit kan wel eens wat worden,’ zegt ook bassist Hein Offermans, ‘dan zet je automatisch een tandje bij.’ 

Voor ‘Stel dat het zou kunnen’ spreken we eerst even de haken en ogen door, extra maten en zo. ‘Neem maar meteen op,’ vraag ik de technicus. We luisteren even, doen ‘m nog een keer, maar kiezen voor track 1. Mooie sfeer. Fijne gitaar van Jan van der Meij ook. Niks meer aan doen. Voor de solo besluiten we tot een melodica. Jakob Klaasse speelt een melodietje. Geluid is prachtig. ‘Maar nou je hart er nog in, Klaas,’ vraag ik. ‘Laat je verdriet horen, aan jou de laatste muren te slechten. En dat ik ’t  in mijn hoofd kan meezingen.’

Jakob trekt een beetje met z’n mond, want praten over emoties in muziek vindt hij onzin. Maar hij geeft.

‘Nog eentje ernaast?’ vraagt technicus Harm.  

‘Nee hoor,’ zeg ik, ‘deze is verkocht.’ Ik wil nooit meer iets anders horen op deze plek. 

Nu moet ik ‘m nog zingen. 

Een week later ben ik alleen in de studio. ‘Ik zing ‘m één keer zonder emotie om het parcours te verkennen. Dan wacht je even tot mijn teken en start de band. Pas stoppen als ik het zeg. Tussendoor niet praten als je wilt. Ik wil niet het gevoel krijgen dat ik een plaatje sta in te zingen.’

Harm knikt. Wacht tot ik ja zeg.

Het intro klinkt. En meteen besluit ik: ik ga niet proef zingen. Ik geef meteen alles. ‘Stel dat het zou kunnen... met wie wil je dineren...’ Ik heb al honderden liedjes opgenomen, maar het blijft een wonder. Het lied komt tot leven. In de aanloop naar het refrein zie ik Harm ineens een camera pakken en mij gaan filmen. Een streng handgebaar en hij verdwijnt. Ik laat me niet afleiden en zing. Het hele lied, waar het over gaat. Drie soorten pijn, bij Jakobs solo hou ik het haast niet droog, maar ik sta er, voor het slotrefrein, de laatste regels, de band slaat af. Pas dan trek ik mijn koptelefoon af, en begin gierend te huilen.

Godverdomme kut kut kut. Godgloeiende... Ik zie Harms verschrikte hoofd. 

‘Ik doe het al bijna veertig jaar zonder moeder, VEERTIG JAAR, weet je wat dat is!’

Wat een pijn, wat een verdriet. Ik zou ‘m nu nooit meer zo kunnen zingen. 

‘Sorry van de camera,’ zegt Harm. 'Ik dacht: hier gebeurt iets. Dit moet ik vastleggen.’ 

‘Snap ik,’ grijns ik, ‘maar het ging om de plaat.’

 

‘Wat hoor ik nou toch steeds,’ vraagt mijn meisje als ik in mijn kantoor de nieuwe voorstelling repeteer. 

‘Elke keer als dat kutlied voorbijkomt moet ik verschrikkelijk huilen,’ beken ik, ‘ik moet het net zo vaak zingen tot ik mijn gevoel kan uitschakelen, en gewoon doorgeven waar het over gaat.’

‘Ja, je moet je publiek laten huilen, niet jezelf,’ weet ook Daan. 

 

Als via de mail het jaarlijkse aanmeldingsformulier voor de Annie MG Schmidtprijs binnenkomt, hebben ze binnen een minuut de eerste inzending binnen. ‘De eerste de beste.’ Volgens de reglementen zit ik goed, want ik speelde hem in Kampvuur, al was het als aankeiler voor de show die nu van start is en niet mee zou mogen doen. 

Ik heb al vaker ingezonden. En ook wel eens gedacht dat ik zou winnen. ‘Bombarie’ bijvoorbeeld. Toen ik ineens mailtjes kreeg met het aanbod me op te halen per taxi. Zodat ze zeker weten dat je komt, dacht ik blij. Omdat het lied uit 246 woorden bestaat die een geluid uitdrukken. Maar de winnaar wist het toch zeker wel? Ik mailde juryvoorzitter Jacques Klöters. Nee, ik had niet gewonnen. Het bleek een sponsoractie te zijn. 

Dit keer moest het maar eens raak zijn. Het clipje maak ik met Malik Besseghir, van de VRT vroeger. Ik heb hem beelden gegeven van mijn moeder in de sneeuw, en op de rug van mijn vader bij hun 25 jarig huwelijksfeest. Als zij gierend van de pret op de camera afstormen breekt het af, hoe mooi wil je het hebben. Ik heb de playback goed voorbereid, Malik filmt me van drie kanten, ook de shalala koortjes. 

Ik zal je ook nog een echte geven denk ik bij de laatste, en laat mijn gevoel toe. Al snel staan de tranen in mijn ogen, maar we houden het droog. 

‘Die laatste moet je wel doseren,’ zeg ik erbij. ‘Alleen op het eind of zo.’

Als ik het clipje terugzie heeft hij vooral die take gebruikt. Daan vindt het prachtig en er niet te dik bovenop.

Als ik het op de sociale media prijsgeef, krijg ik binnen het uur mail van Boudewijn de Groot, Henny Vrienten en Freek de Jonge. Frits Wester met twee ton volgers retweet het en belt me zelfs op om even te zeggen dat hij geraakt is. 

Bij de Annie wordt ditmaal gekozen voor meerdere genomineerden. ‘Als ik er niet bij zit, hou ik er mee op,’ brom ik. Dan is dit mijn laatste plaat geweest. Maar dan is er in februari ineens telefoon. Evert de Vries. ‘Heer, tot mijn grote vreugde mag ik u feliciteren…' 

Als hij de datum noemt, aarzel ik. Er staat een optie voor Chez Brood, maar de kans is groot dat die niet doorgaat. 

‘Dat optreden kan niet Jij moet erbij zijn!’ Het klinkt me iets te bezorgd voor een gewone genomineerde. Stel dat... Chez Brood krijgt mooie kritieken, maar de zalen zitten half vol, en geen van de opties wordt opgenomen.  

Een paar dagen voor de uitreiking speel ik in het Beauforthuis in Austerlitz. De programmeur zit in de jury. 

‘We gaan het er niet over hebben. Ik wil het niet weten, ook geen hint,’ zeg ik meteen bij de begroeting. Als ze verklapt dat ik win, is de verrassing er af, en als ik weet dat ik niet win, heb ik niet eens meer zin te gaan. 

Als ik de andere nominaties hoor, word ik niet zenuwachtig. Tot 'Guus', van Kiki Schippers. Oei, sterk. Na de tweede keer refrein hou ik mijn hart vast: als ze het nu afmaakt met een sterke brug... maar goddank, een derde couplet. Overbodig. Tegen de tijd dat de brug komt is de spanning weg, en de clou niet verrassend genoeg meer.

Ik heb het beste lied, en de gunfactor zou hoog moeten zijn. Maar voor hetzelfde geld willen ze jong talent en kiezen voor een aanstellied van Louise Korthals. In een quasi lollige voorbespreking in het NRC van de zes liedjes worden eigenlijk alle liedjes onderuitgehaald. Cabaretkenner Ron Rijghard schrijft over de mijne: 'Wat een kitscherige smartlap. Rot wenst zich nog een uurtje met zijn overleden ‘moe-oeder’. Voor die wens ben ik best gevoelig, maar als de prijs is dat ik dit nummer moet uitzitten, twijfel ik toch. Sorry mam.'

Zijn collega Henk van Gelder leidde dat ene jaar de jury toen ze besloten dat er geen lied goed genoeg was en Annie zelf mopperde: al zijn ze allemaal verschrikkelijk, dan nog is er één minder slecht dan de andere.

De dag van de uitreiking ben ik in een goede stemming. Elvis heeft toneelklas, maar de rest van het gezin rijdt mee uit Antwerpen. De soundcheck stelt in mijn eentje normaal weinig voor, maar de piano staat voor mij verkeerd om, en ik ben in de voorstelling gewend hem op gitaar te spelen. Ik had dit beter moeten voorbereiden, besef ik. Louise Korthals blijkt nog in Engeland te zitten, en ik zie ook geen apparatuur voor een live verbinding, zodat we ervan kunnen uitgaan dat we nog maar met vijf kanshebbers zijn. 

Vlak voor aanvang leid ik nog even de Rotjes naar binnen.

Het jurylid uit Austerlitz schiet me aan. Lacht: ‘Ik weet iets wat jij niet weet.’

Ik ga er niet op in. Maar dat kan je alleen positief opvatten toch? Ze zegt zoiets toch niet als een ander heeft gewonnen? Het echoot nog na als we onze plaats op het podium innemen. Moeilijk voor de concentratie vind ik dat, ik kom liever op uit de coulissen. In de loting ben ik vierde. Ik volg de eerste twee nauwelijks. 

Stel dat het echt is? Ik wil het zo graag. Ik wil het zo graag. Ik ben gewoon al 58, jongens en heb nog nooit een vakprijs gehad. Nooit een echte hit ook. Mooie kritieken genoeg, prachtige dingen gedaan, gemaakt, maar geen lauweren om op te rusten. Een gouden award voor de Mattheus en een beeldje van de Hitkrant, favoriete zanger 1982, waar alleen het voetstuk nog van over is. 

Voor mij neemt Jan Beuving de tijd zijn lied te introduceren. Moet ik dat ook niet doen? In de voorstelling zit het prachtig, maar hier komt het koud binnenvallen. Ik bedenk een aardige zin om ze terug te nemen naar augustus 1977, het overlijden in dezelfde nacht van zowel Elvis als mijn moeder, en schiet in een keer vol. 

Als ik word aangekondigd loop ik naar de vleugel en besluit vooraf niks te zeggen. Maar mompel toch iets. En begin. Zie de hoofden van Frits Spits, Joke Bruijs, Rob van Meerberg, Henk van Gelder.

Ik kan dit niet, schiet ineens door me heen. Ik kan niet in een wedstrijd bewijzen... ik wil niet tegen andere kinderen... had me eerst die prijs gegeven... dan...

Ik begin te zingen, brokkelig op de piano, er gebeurt niks. Ik voel mijn moeder niet over mijn schouder, ben al bij het tweede couplet en vergis me bijna in de tekst. En dan doe ik, wat ik altijd doe in zo’n situatie. Ik zet de tijd even stil. Vingers aan de piano, mond open, ogen dood –  kom op jongen, jij bent de veteraan, laat zien wat je kunt – en speel weer verder en maak het af. Tikkie slungelig loop ik terug naar mijn stoel, zie in mijn ooghoek een paar mensen een traan wegpinken. Maar dit was de slechtste uitvoering ooit. Gefaald. Kiki na mij is met de hele band gekomen, 'Guus' staat als een huis. Maar wat maakt het uit, de uitslag is al bekend. Het heeft geen invloed.
Gerard Cox houdt een vrolijke toespraak. Dan komt juryvoorzitter Jacques Klöters. Eerst wat algemeen over de inzendingen. Het krimpt in mijn onderbuik. Laat ook maar. Geef iemand anders maar die prijs. Het is al goed. Ieder zijn lot. Ik kan er niet tegen. Dan heeft hij het over een winnaar, geen winnaars, dan zijn er dus nog maar drie. En het blijkt een hij. Joost Spijkers of ik. En dan gaat het praatje nog maar één kant uit: de Annie MG Schmidtprijs voor het beste theaterlied van 2015/2016 gaat naar mij. 

Fotograaf is Jaap Reedijk, dan hoef ik ‘m alleen maar in te koppen. Ik schuif op een knie en hou het beeld omhoog. Blijer kun je niet zijn. Oprecht. Dit is Goud op de Spelen. Het winnen van het songfestival. Het beste liedje. Daar gaat het om.

Ook mijn toespraakje heb ik niet goed voorbereid. De afgelopen weken in de auto heb ik er wel twintig geprobeerd. Het klonk allemaal nuffig, ijdel, verongelijkt, pathetisch... dus zeg ik maar wat het is. Dat je als je twintig bent misschien heel logisch vind, als je wint. Maar dat je op mijn leeftijd weet, dat dit soort momenten zelden zijn. Ik ben er onbeschrijfelijk gelukkig mee, en kan hier weer een hele tijd op teren. 

‘Ik zie het als aanmoedigingsprijs,’ vertel ik even later aan het NOS journaal. ‘Het is zo leuk om iets te winnen met je laatste liedje van je nieuwe plaat...’ Maar tegen de Telegraaf zeg ik al, dat het zo’n eer is om in die lijst winnaars te staan. Tot in lengte van dagen. Dat neemt nooit iemand je meer af. 

‘Ik weet niet of dit nou meteen de beste live-uitvoering was,’ zegt jurylid Frans Mulder van Purper meteen, ‘maar het is het beste lied. We kwamen ook unaniem met jou als winnaar binnen en eigenlijk ben je geen moment van tafel geweest.’

Gottegot en terwijl mijn kindertjes apetrots poseren met mijn beeld, geef ik nog wat quotes, schud handen en vlucht eigenlijk al vrij snel met het gezin naar buiten. Iets eten. Even samen. Op de mobiel al een golf warme reacties in de media van collega's, vrienden, familie, fans en theaters.
De trots van vrouw en kinderen. Mijn eigen opluchting. 'Het is niet onopgemerkt gebleven.' Toch een soort diploma: je kan wat.
En we kunnen de kersverse roem meteen relativeren, want we hadden al zitten grappen wie we die maandagavond erop zouden kiezen om te shinen: Pauw, De wereld draait door of Humberto Tan, maar van de kant van televisie blijft het stil. Ik mag op maandag naar Volgspot, radio 5, Hijlko Span, waar ook Jacques Klöters is. ‘Ik had altijd al het idee dat jouw beste liedje nog moest komen.’ We discussiëren nog even over een zinnetje. ‘Je weet toch hoe dat gaat’. Hij vind het een zwakke plek. Ik zeg dat die machteloosheid daar zeer welbewust is gekozen.
Het clipje passeert op YouTube de 40.000 views en ‘Stel dat het zou kunnen’ staat zelfs een paar dagen in de download Top 100 van iTunes.
Nu zou een platenmaatschappij moeten inspringen, of een plugger. Maar ik laat het lopen. Ben druk met Chez Brood, wat kan het me verder schelen, ik ben zo ook al gelukkig. Tijd voor de volgende stap. Want die 3500 prijzengeld mag niet op aan drop en voetbalplaatjes natuurlijk.
De dag zelf heb ik de muzikanten en de clipmaker ieder 100 euro bonus overgemaakt en die 3000 is een mooie opstart voor een plannetje dat ik allang koester. Op zolder ligt een koffer cassettes vol nooit gebruikte eigen liedjes uit de vorige eeuw.
Daar neem ik de twaalf beste van op met de jongens van de Chez Broodband, tijdens de soundcheck proberen we er steeds eentje uit.
En zo zorgt ‘Stel dat het zou kunnen’ voor de cd #Stopdetijd, eindelijk weer een cd vol eigen liedjes en maar één cover, ‘My way’ als ‘Ik was’. 

Ditmaal zet ik zelf vast een camera in mijn zanghok en laat ‘m rustig meelopen. Beter mee verlegen dan om verlegen.
Op ‘Stel dat het zou kunnen’ verkopen we wel degelijk kaartjes en ook extra cd’s van Jong & Veelbelovend. ‘Dat lied van uw moeder staat daar toch op?’ hoor ik het meest na afloop.
De Annie staat op de schoorsteenmantel en dat is dat.

Het jaar erop wordt ‘Solidariteit’ genomineerd. Ditmaal sta ik er met de hele band. Maar nu wint Kiki Schippers wel. ‘Gelukkig geen Jan Rottrauma,’ lacht ze. Voor 2017 zenden we weer in. 

sep 2015

Met vertaalde hits als 'Golden years', 'Living next door to Alice' en 'You're the one that I want' in duet met Lenette van Dongen, maar ook nieuwe eigen nummers waaronder 'Solidariteit' en het ontroerende lied over zijn moeder 'Stel dat het zou kunnen...' (Annie MGSchmidt prijs in 2016)

Luister hier naar (fragmenten) op Spotify.

band: Léon en Jakob Klaasse, Hein Overmars en Jan van der Meij.